Natuur

PicoSearch
  • Intelligentie in het DNA - 12 september 1989
  • Keien een vorm van leven ? - 6 augustus 1987
  • Magneetkracht - 21 maart 1987
  • Begin en eind van een object - 29 mei 1986
  • Telepathie bij olifanten ontdekt
  • Waar het 'weer' vandaan komt - 26 oktober 1985
  • Het juiste voedsel II - 13 februari 1985
  • Het juiste voedsel: De schepping als basis - 12 februari 1985
  • Bomenaura? - 1981-06-06
  • Het energielichaam - 21 november 1980
  • Vliegtechniek II - 23 september 1980
  • Vliegtechniek - 22 september 1980
  • Licht - 7 maart 1980
  • Illusies - 1977-07-10
  • TOP

    LICHT - 7 maart 1980

    Alle lichamen, alle materie, alle deeltjes hebben hun eigen trillingswaarde, en ze stralen die ook uit.
    Wat wij zien is hoofdzakelijk de reflectie van zonlicht. De zon schijnt aan de lichamen een hoger trillingsgetal te geven, waardoor zij sterker uit stralen.
    Hoe mooi zou het heelal zijn, als wij het in zijn ware gedaante konden waarnemen en alle lichamen met hun eigen straling ten volle waarnemen.

    Copyright © Ben Pirard - 7 maart 1980

    TOP

    VLIEGTECHNIEK - 22 september 1980

    Dezer dagen houden een paar ongewone gedachten mij bezig over de mogelijkheid voor het menselijk lichaam om te vliegen. Ongewoon zijn deze, omdat we in één oogopslag kunnen waarnemen dat de mens niet is toegerust met de attributen waarmee lichamen in onze opinie moeten vliegen: vleugels.
    vliegendevogels (45K)
    Toch lezen we echo's uit verre verleden tijden op verschillende plaatsen ter wereld over 'vliegende mensen'. In een meer recent verleden en ook nu nog horen we bovendien soms over wat dan 'levitatie', oplichting van het lichaam van de grond, wordt genoemd. Los komen van de grond is inderdaad een eerste vereiste voor een lichaam om te vliegen.

    In de dierenwereld zijn er ook lichamen, meer bepaald van insecten als hommels, bijen e.d. waarvan we niet kunnen ontkennen dat ze vliegen, die voor ons oog ook duidelijk iets hebben dat we onder 'vleugels' klasseren, maar die blijkbaar intussen stiekem de hele tijd de wetten van onze 'aerodynamica' hebben hangen geweld aan te doen, omdat de verhouding van hun vleugeloppervlak wetenschappelijk niet klopt met hun gewicht.
    Dit is alvast een stiekeme aanwijzing ook naar de mogelijkheid om te vliegen zonder zo 'n opvallend vleugelspan, dat wij dus alvast missen.
    Hoe zou een lichaam, een object, verder nog van de grond kunnen verheven worden?
    Als een katapult in haar lepel een zware steen heeft, en die zou er om één of andere reden in vast blijven plakken, dan zou, indien het tuig niet al te zwaar weegt, dat hele ding een sprong in de lucht maken bij het losschieten van de lepel. Het zou dan een 'anapult' worden.
    Natuurlijk valt zo 'n tuig onmiddellijk weer omlaag. Maar als we het snel genoeg zouden kunnen opspannen en weer afschieten, terwijl het nog in volle opwaartse beweging is, dan zou het in de lucht een nieuwe impuls krijgen en vóór het aan dalen toekomt verder stijgen, trapsgewijs. Dit komt erop neer dat van een opwaartse en een complementaire neerwaartse impuls deze laatste tijdig wordt gesupprimeerd. De resultante is een opwaartse gang.

    Erg praktisch is het natuurlijk allemaal niet, maar een 'vliegend tuig' dat op dit principe werkt zouden we ons primitief en grofweg als volgt kunnen voorstellen:
    Een soort zitbak met opzij een soort veerkrachtige roeispanen, links en rechts op de rand vast scharnierend, met aan het uiteinde een zware bol van een zeker optimaal gewicht. Een plotse druk op de roeispanen zou de twee bollen doen omhoogschieten. De inertie van de bollen zou de zitbak kunnen een eindje mee omhoog rukken. De hele zaak beweegt omhoog zoals de 'anapult' tot op het moment x. Om x+1 daalt het weer. Om x-1 heeft het nog steeds een opwaartse gang, en als intussen de roeispanen terug in de vertrekstand zijn gescharnierd, kan opnieuw een ruk worden gegeven.
    Als bepaalde verhoudingen van krachtenkoppels en overbrengingen daarvan zouden gerespecteerd worden, zou het mogelijk kunnen zijn om zo 'omhoog te peddelen'. Er moet energie toegevoerd worden die voldoende hoog is om voor frictie en zwaartekracht te compenseren, maar de synchronisatie van de bewegingen is zeer belangrijk.

    Natuurlijk zou dergelijk principe op mechanisch niveau een aantal onoverkomelijke moeilijkheden tonen, maar daarom als principe nog niet ongeldig worden.
    Op een fijner niveau namelijk wordt het mogelijk tot betere krachtverhoudingen te komen, doordat bijvoorbeeld alle moleculen van een object individueel in de beweging zouden betrokken worden: een bepaalde trilling dus: een vibrator beweegt zich over een horizontaal oppervlak op een gemiddelde hoogte van enkele fracties van een millimeter, al naargelang de sterkte en gerichtheid van de trilling in verhouding tot gewicht en frictie.

    Al geven dergelijke fijne mechanische trillingen al een beter resultaat, toch is er nog geen sprake van echt vliegen. Of zou mits bepaalde verhoudingen, hiermee toch iets te doen zijn, zoals de hommels doen? Is hun 'gezoem' misschien juist niet de sleutel tot hun levitatie, en dienen hun zogenaamde vleugels alleen maar om de vereiste trilling te produceren waardoor het geheel in interactie met de omringende luchtmoleculen treedt?

    Het gezoem geeft misschien de frequentie weer waarmee een uiterst locaal en beperkt relatief vacuüm wordt veroorzaakt ergens waar de 'vleugels' bij het lichaam komen, en dat van daaruit afneemt. Zo stijgt het hele lichaam onder de opwaartse druk van de omringende lucht sneller of trager bij hogere of lagere frequentie. Beweging met het logge achterlijf als roer levert mogelijk een verandering van vector en laat verandering van richting toe.
    hommels (13K)
    De druk van de lucht op het lichaam compenseert het gewicht door de graad van vacuümtoestand boven de rug onder invloed van de frequentie van de trilling (het gezoem).
    De levitatie van de hommel geschiedt dan ondanks haar gering vleugeloppervlak op basis van hetzelfde principe van de levitatie van een 'gestroomlijnd object': creëren van een relatief vacuüm aan de bovenkant. Alleen is de techniek om dit vacuüm te creëren verschillend. Gebrek aan stroomlijning en vleugeloppervlak wordt gecompenseerd door hogere frequenties van propulsie beweging. Een helikopter werkt volgens dezelfde techniek, alleen gaat daar de 'vleugel' helemaal rond, terwijl die bij de hommel alleen heel snel heen en weer beweegt.
    Misschien worden verschillende technieken ook in combinatie gebruikt.

    Hierop verder gaand kunnen we dan veronderstellen dat nog fijnere technieken mogelijk zijn om een moleculenmassa de gravitatiekracht te laten omzeilen.
    Zo kan het zijn dat, mits een zeer coherente energietoestand in het lichaam, gecentreerd in het zenuwstelsel, een relatief vacuüm (onderdruk dus) wordt gecreëerd, bijvoorbeeld rond het hoofd van een mens, met centrum ergens aan de kruin, waardoor het lichaam voldoende opwaartse druk ondervindt om met de geringste impuls in de richting van deze onderdruk te bewegen, wat dan levitatie zou zijn. Waarschijnlijk zou dan de 'gebezigde' trillingsfrequentie nog fijner zijn dan de trillingen in de geluidsband.
    Mogelijk nemen alle lichaamscellen daarbij individueel deel aan de techniek door coherent samen dezelfde trilling aan te gaan en laten de meeste zich niet passief meesleuren door de activiteit van een minderheid die daar beneden een zekere drempelwaarde overigens niet toe in staat zou zijn.

    Copyright © Ben Pirard - 22 september 1980

    TOP

    VLIEGTECHNIEK II - 23 september 1980

    Wanneer het zenuwstelsel een voldoende fijne structuur heeft om sterke hoogfrequente coherente trillingen gedurende lange tijd aan te houden zonder uit elkaar te schudden, zou dit kunnen tot gevolg hebben, dat binnen een zekere straal rondom het lichaam een relatief vacuüm wordt gecreëerd, gepaard gaand aan een verschillende brekingsindex van licht.

    Bij een zekere graad hiervan zou het kunnen zijn dat plaatselijk de atmosferische druk het gewicht van het lichaam neutraliseert, waardoor het gaat zweven, of toch alleszins minder vast op de grond staan, en zich dus lichter over de aardoppervlakte bewegen (een beetje volgens het principe ook van de vibrator) en zelfs over de oppervlakte van water.

    Een zekere behendigheid in het plaatselijk versterken of afzwakken van deze 'aura' plus het genereren van bepaalde stuurimpulsen, zou dan kunnen instaan voor het zich zwevend in een bepaalde richting bewegen (zoals bijvoorbeeld St. Franciscus volgens getuigen geregeld vanuit de achterkant van de kerk door de middengang in extase naar het kruisbeeld helemaal vooraan vloog).

    Zoals de hommel haar gebrek aan echte vleugels compenseert met een hogere trillingsfrequentie, zo ook zal een menselijk lichaam een extra hoge trillingsfrequentie moeten kunnen bereiken om te gaan zweven. Uit de overlevering weten we dat vroeger Tibetaanse monniken in staat waren stemgeluid zodanig te moduleren en te richten dat zij, opgesteld in een halve cirkel, daarmee zware rotsblokken naar boven konden doen bewegen voor de bouw van hun tempels.

    Het spreekt vanzelf dat dit een zekere stabiliteit en tegelijk flexibiliteit van het zenuwstelsel vereist, die eventueel niet zo snel verworven wordt. De trillingsfrequentie die via het zenuwstelsel op het lichaam wordt overgedragen ligt waarschijnlijk in de buurt van het zichtbaar licht. Onder invloed van deze frequentie zullen zieke cellen ofwel helemaal vernietigd ofwel genezen worden.

    Bij personen die zodanig ontwikkeld zijn dat zij erin slagen een nog hogere trillingsfrequentie te genereren en aan te houden zou, wanneer die de frequentie van licht evenaart of overschrijdt, de gewone zichtbare vorm van de lichaamsstructuur voor een minder verfijnd waarnemer buiten zijn gezichtsspectrum vallen. Op dat moment zal de 'heilige' dan 'verdwijnen' of als hij al in beweging is 'ten hemel worden opgenomen'.

    Indien zijn lichaamsstructuur boven de lichtfrequentie bijeen houdt, is hij in staat om zich te verplaatsen zonder door de barrière van de lichtsnelheid te worden tegengehouden. Hij verkeert dan buiten de tijdruimte.
    Zo kan hij vrijwel onmiddellijk op een andere plaats 'verschijnen' als hij zijn aandacht ernaar richt en daar zijn trillingsgetal verlaagt tot binnen het gewone tijdruimte spectrum.

    Copyright © Ben Pirard - 23 september 1980

    TOP

    HET ENERGIELICHAAM - 21 november 1980

    De dynamische structuur van ons wezen als individu is meer dan wij er nu van kennen. Deze structuur volgt niet alleen wetten die we al evenmin ontdekt hebben, maar volgt ook ideale patronen, zowel bij haar begin als in haar einddoel. Deze ideale patronen zijn onverwoestbaar.

    Wanneer er zich bij de realisatie van de patronen een kleine afwijking van het ideaalbeeld voordoet, leidt dit tot een vervorming of onvolkomenheid op alle uitdrukkingsniveaus.
    Deze zwakke plekken of tekorten in onze uitdrukking vormen een bedreiging (achillespees) voor die hele uitdrukking vanaf het niveau waar het tekort zich voordoet. Alle opeenvolgende buitenste lagen moeten occasioneel of accidenteel afgeworpen worden en kunnen dan geleidelijk opnieuw ontstaan vanuit de laatste laag die zonder tekort en dus vol leven is.

    Maar aangezien het een dynamische structuur is, die zich van binnen naar buiten uitdrukt, kan het ook zijn dat een tekort (als het niet té gevaarlijk is voor de volgende lagenstructuur) gewoon mee naar buiten groeit, omdat het in de achtereenvolgende lagen één na één vervuld wordt zonder dat de hele buitenmantel afgeworpen moet worden.
    Het tekort groeit dan gewoon mee naar buiten waar het na verloop van tijd mee met de laatste - afstervende - laag verdwijnt die we ook slijtlaag zouden kunnen noemen.

    Wanneer er veel van dit soort stoornissen tegelijk naar buiten groeien, kan het zijn dat grote delen of zelfs hele organen van het fysisch lichaam daardoor tijdelijk ernstig gestoord worden, wat de symptomen van ziekten zal op leveren.

    Maar al dit soort tijdelijke stoornissen en ongemakken - die gepaard gaan aan de inwendige zalving van het vervuld worden - zijn slechts het zoeken van de energiestralen naar het ideale spoor, om ongehinderd te stromen.
    De energiestralen die uit ons binnenste schijnen zijn zelf onophoudelijk. Wanneer zij in het ideale patroon ("naar God 's beeld") stromen, dan is ook de structuur die zij vormen gelijk de stralen zelf onverwoestbaar.

    Voor zover we onszelf met zulke ideale structuur kunnen identificeren, zijn we zelf - ook uiterlijk - onverwoestbaar. Zo 'n structuur laat in haar krachtige energiestroming geen stoornissen toe, noch door tekort noch door teveel, want zij vormt een zuiver doorstromingssysteem dat open is naar binnen en naar buiten. Zou het door een ongeluk toch vernietigd raken, dan zou het zich vanuit de basis in korte tijd regenereren, zoals een fontein die even naar beneden werd gedrukt.

    hartbrand (20K)
    Chakra's zijn ongetwijfeld belangrijke snijpunten van stralen die de structuur van het energielichaam opbouwen. En de wetenschap omtrent deze 'wielende' energiepunten is zeker een meer gedetailleerd kennissysteem omtrent de dynamische structuur van ons fysisch en metafysisch wezen;
    In zoverre chakra's aan de basis liggen van ons fysisch functioneren, is de wetenschap er omtrent essentiëler dan de kennis van het louter fysisch (dis-) functioneren der organen, waarrond de huidige geneeskunde gestructureerd is.


    De onophoudelijke doorstroming vanuit het allerfijnste naar de meer samengestelde niveaus van de schepping in ideale patronen (creativiteit + intelligentie) is het principe van eeuwig leven.

    Stabiele patronen zijn in overeenstemming met de stabiliteit van de oneindige stille rust zelf, waarin en waaruit zij voortkomen, zij vormen er een weerspiegeling van, een ideale weergave.
    De oneindige stille rust laat alle mogelijkheden open, ook die van onstabiele patronen.
    Wanneer dus op een bepaald moment in de schepping enkele vroege onderscheiden energiestralen opnieuw mengen, bijvoorbeeld op het niveau van de 'blauwdruk' van de schepping, dan grijpt daar een soort inteelt plaats of corruptie en is het product vervormd of desgevallend helemaal geneutraliseerd. Zoals wanner twee stralen van een fontein niet goed gericht zijn, mekaar in het begin te veel raken en dan hogerop tot grillige vormen versmelten.
    De hele uitdrukking van de fontein wordt daardoor geaffecteerd.
    Dergelijke stralen opnieuw scheiden kan niet vanuit hun eindpunt worden gedaan, maar moet van bij het beginpunt gebeuren. De vervorming moet er als het ware mee uitgroeien. Het herstel moet in de groeirichting gebeuren, met de stralen mee, niet andersom.

    Er moet in onze scheppingsgeschiedenis die in principe volmaakt is ergens iets zijn misgelopen: het "breken van de schalen" of schillen (niveaus) uit de Kaballah, waardoor het licht stroomde waar het niet moest stromen, wat tot tijdelijk onstabiele patronen leidde, de "erfzonde" e.d.m.
    Deze tijdelijke stoornis hebben wij in ieder geval overgeërfd en ze zal langs onze huidige structuur naar buiten moeten.

    Vóór deze stoornis was er zeker een perfecte uitdrukking van het goddelijk principe.
    Dus ook dat hebben wij tot nu toe overgeërfd in de aanleg van onze structuur.
    Maar omdat de 'stoornis' naar buiten verschuift (deze vormt tegelijk een isolatie tussen ons uiterlijk en ons innerlijk zelf) zal ons schijnbaar gezond uiterste zich nu moeten openen, opdat de stoornis voorgoed zal uitsterven.

    Daarom kunnen ook zij die schijnbaar nooit ziek zijn, tijdelijk ziekteverschijnselen meemaken op weg naar algehele gezondheid.

    De duur van deze onaangename manifestaties is natuurlijk omgekeerd evenredig tot het contact met de bron. Hoe sterker en ruimer contact we met de bron van de energiestromen van ons eigen leven hebben, des te sneller onze patronen trillen, tussen zijn en niet- zijn (aan en uit flikkeren). Een hoger trillingsgetal betekent in dit opzicht een snellere doorstroming, dus een snellere realisatie, dus snellere evacuatie van stoornissen. Dat is onze troost in het heden en voor de toekomst. Het is ook de evolutionaire basisopdracht voor de menselijke soort.

    Copyright © Ben Pirard - 21 november 1980

    TOP

    BOMENAURA? - 1981-06-06

    Vorige donderdag toen we naar zee toe reden merkte ik van na Gent dat het landschap en alles erin een ander meer uitgesproken, voller, intenser licht (luminositeit...) had dan in het binnenland, waar het fletser en vager leek.
    Alles is hier scherper afgetekend, meer onderscheiden.

    boomaura (51K)
    Op een bepaald moment zag ik boven een aantal bomen een wit licht dat er leek uit te stralen en ongeveer de vorm van de kruinen had. Eerst dacht ik dat het door contrastwerking kwam van de donkerder kruinen tegen de witgrijze heldere lucht.
    Deze lichtgordel was zichtbaar bij ontspannen niet-gefocust kijken.
    Op een gegeven ogenblik ontdekte ik iets merkwaardigs: twee bomen, elk aan één kant van de weg, de rechter wat dichterbij dan de linker, hadden ook hun lichtgordel, maar die lichtgordels vormden samen een boog over de weg heen. Ze waren met elkaar verbonden in hun lichtuitstraling en bij het naderen ervan bleek dat die boog hoog boven de weg hing en wij er gewoon, alsof het een brug was, onderdoor reden.

    Copyright © Ben Pirard - 1981-06-06

    TOP

    HET JUISTE VOEDSEL: DE SCHEPPING ALS BASIS - 12 FEB 1985

    Fijne scheppingsgolven gaan samen tot een soort kosmisch weefsel. Dit kosmisch weefsel wordt 'onder druk' van nieuwe toevloeiende scheppingsgolfjes gestructureerd.

    Materie is zo'n uitgesproken structuur, die wordt in stand gehouden door de energie van scheppingsgolven. Het zijn als het ware staande golven van scheppingsenergie. Men kan er binnenin samenstellende 'deeltjes' ontdekken van elk een bepaalde levensduur. Worden ze tijdig opnieuw geschapen dan blijft de samenstelling van de materie intact.

    Een voortdurende trein van scheppingsgolfjes komt in de oneindige basistoestand van het universum voor. Zo is er al op deze zeer fijne schaal van de schepping een massa krioelend leven van creatieve impulsen te onderkennen. Het samengaan van deze impulsen tot deeltjes loopt volgens ongeschreven wetten 'volgens de meest ideale wijze'. En deze ideale wijze van samengaan zet zich geleidelijk door in alle verdere structureringsstadia of niveaus van het basisweefsel. (Men situeert dit basisweefsel van de schepping wel eens op de Planck-schaal met bewegingsdeeltjes van kleiner dan 10-33 cm). Dit weefsel is dus steeds 'in beweging', het is de beweging van alle beweging. Zelf steunt het volkomen op de oneindige absolute oorspronkelijke rust en stilte.

    Zijn structurering verloopt in opeenvolgende fasen tot velden van verschillende grootte-orde, tot aan het meest uiterlijk waarneembare veld der grove scheppingsvormen.

    Copyright © Ben Pirard - 12 FEB 1985

    TOP

    HET JUISTE VOEDSEL II - 13 FEB 1985

    Deze vormen die al tot een vrij hoge graad zijn samengesteld, schijnen niet zo stabiel te blijven als de kleinere vormen van de materie waaruit ze bestaan.

    Die kleinere vormen van de materie, haar fijnere structuur dus, in atomen en dergelijke schijnt een lange bestaansduur te kennen. Zij lijkt wel het residu van de oneindige variatie aan kleinere deeltjes die in de schepping opkomen en die zelf als 'elementaire deeltjes' hun bestaan vinden in de onophoudelijke stroom van originele scheppingsimpulsen, quantums, fotonen enzovoort.

    De vormen die wij waarnemen, de grove structuren van en in de schepping, die voor onze grove zintuigen waarneembaar is, zijn in hun wezenlijke samenstelling dus allesbehalve wat zij lijken. Zoals het beeld op het televisiescherm zijn ze het voortdurende eindresidu van een onophoudelijke compacte en gecompliceerde stroom van impulsen in het oorspronkelijke scheppingsveld.

    De dichtheid aan dit soort impulsen, hun opeenvolgingssnelheid en hun afgelegde baan zijn factoren die kunnen variëren zonder dat deze fijne verschillen op het grove vlak van de verschenen vormen en bewegingen worden waargenomen. En meestal zijn die verschillen ook op korte tijd en binnen een beperkte ruimte niet zo groot - omdat de scheppingsimpulsen bij de oorsprong nog nauw samenhangen - dat ze als spectaculair worden waargenomen. Enkel op langere termijn en op grotere afstanden zijn spectaculaire verschillen in de schepping waar te nemen voor evenredig grof ontwikkelde zintuigen. (Hoe kleiner de afstand en de tijdspanne waarbinnen verschillen worden ervaren, des te fijner de zintuigfunctie).

    Behalve de grove structuur van een lichaam is er ook nog een inherente fijnere structuur, die het functioneren van dit lichaam regelt en samenhoudt.
    Zonder deze vitale structuur van scheppingsimpulsen in het lichaam, kan het er grofweg weinig verschillend uitzien, maar het zal niet functioneren.

    De fijnere vitale structuur ontgaat de waarnemingsinstrumenten van de moderne wetenschapper nog zo goed als volkomen, en wanneer ze plots uit het lichaam verdwijnt, begrijpt hij er niets van en blijft versteend met het lijk achter, waarin hij hoogstens enkele fysische verstoringen hier en daar als sporen van het gebeurde kan ontdekken, die bij de ineenstorting van (een deel van) de vitale structuur op het laatste moment zijn opgetreden.

    Deze vitale structuur is het patroon waarin de levensenergie van de scheppingsimpulsen is verlopen en die zich in het fysische lichaam via de 'ik' heeft geprojecteerd. Deze structuur heeft zich met de jaren binnen het lichaam ontwikkeld, dat mee met haar zichzelf ontwikkelde, en nu, zonder haar, stil viel.

    Maar deze vitale structuur is op zichzelf nog maar een beperkte manier van functioneren en van leven. Zij kan een zekere graad van 'afronding' hebben, waardoor ze zichzelf een hele tijd kan in stand houden, maar als zodanig heeft zij niet de kans om zich volledig te raffineren, zonder de aanwezigheid van het fysisch medium, en zeker niet zonder voortdurende stroom aan scheppingsimpulsen waarin en waaruit zij bestaat.

    Deze stroom aan impulsen vindt zijn oorsprong dus in het oorspronkelijke scheppingsveld dat de fijne structuur van alle mogelijke ontwikkelingen nog in zich heeft.
    Zo bekeken is het lichaam de uiteindelijke expressie van een oorspronkelijke scheppingsmogelijkheid via het patroon van een bepaalde vitale structuur.

    In hoeverre het eindresultaat aan zijn oorspronkelijke mogelijkheid beantwoordt, wordt dus bepaald door het tussenliggend ontwikkelingspatroon van zijn vitale structuur.

    Het is duidelijk dat het lichaam in zijn geheel als bestaansvorm gevoed wordt door de onophoudelijke stroom aan scheppingsimpulsen in de fijnere structuur van zijn oorspronkelijke veld van alle mogelijkheden, die zich tot een vitale functioneringswijze heeft ontplooid.

    De schepping is een continu dynamisch proces, van ontstaan, bestaan, en oplossen, waarin de verschillende opeenvolgende stadia en samenstellingsgraden tegelijk bestaan. Zo komt iets dat al tot op zekere hoogte ontwikkeld is naast of in iets anders voor dat nog maar juist ontwikkeld is enzovoort. En deze structuren interageren vaak. Vandaar de voortzetting aan oneindige variatie juist. En dan blijkt dat bepaalde vormen in dit kosmisch proces langer mee gaan dan andere. Zo zien we een globale predominerende kosmische structuur in niveaus en omtrekken waartussen soms maar weinig structuur lijkt voor te komen, maar die toch evengoed met elkaar interageren.

    De belichaamde mens herbergt een aantal van deze kosmische scheppingsniveaus in zich. We kunnen ze op allerlei manieren indelen, mentaal dan, maar meestal kiezen we voor de drievoudige indeling van ziel, geest en lichaam. Deze drie wezenskenmerken verwijzen dan naar elk een min of meer eigen niveau van schepping. En in de regel is het zo dat een meer samengestelde, dus grovere, vorm, of structuur, als het lichaam niet lang in stand gehouden blijft zonder een bepaalde graad van de fijnere onderliggende structuur van de geest bijvoorbeeld.

    Teruggaand op het voorgaande kunnen we dus zeggen dat de scheppingsimpulsen in het zielsveld de geest structureren die het lichaam laat functioneren. Kortom: de originele scheppingsimpulsen vormen het voedend bestanddeel van geest en lichaam.

    Als dit scheppingsproces ideaal zou verlopen - dus als de originele scheppingsimpulsen elkaar voldoende opvolgen, voldoende dicht bij elkaar ontstaan en zich volgens een ideaal patroon voortplanten - dan zou het lichaam ideaal ontwikkelen en functioneren.
    Maar niet altijd en overal blijkt dit het geval te zijn. Het lijkt wel of de Natuur heel veel pogingen nodig heeft, heel vaak van voren af aan moet starten, om een bepaald ideaal patroon te ontwikkelen.
    Ieder van ons lijkt zo'n nieuwe poging. Er lijkt soms hier en daar iets tussen te komen, op weg naar een bepaalde realisatie, een kleine zwakheid hier of daar en de hele voortzetting van het proces is geaffecteerd.

    Nu lijkt het er sterk op dat het ontstaan van nieuwe scheppingsimpulsen hetzij niet voldoende volgt, hetzij raakt afgebogen, tot een buitenaanliggend parcours. (In werkelijkheid is dit alles natuurlijk maar schijn: het is een afwijking van ons beperkt zicht van mogelijkheden).

    Wanneer de creatieve intelligentie, die voor de ontwikkeling of het onderhoud van een bepaald lichaam bedoeld leek, niet voldoende in dit lichaam doordringt, dan komt zijn bestaan op het spel te staan. Zo'n lichaam is meestal reeds wat onevenwichtig opgebouwd en in de war, waardoor het gewoon zelf de toegang tot nieuwe impulsen verspert of ombuigt, maar het heeft ook met de resterende creatieve intelligentie zich in de tijd zodanig gevormd, dat het in nood, ook impulsen van creatieve intelligentie in zijn omgeving kan zoeken en ze opnemen in de vorm die ongeveer overeenkomt met de vorm die de fijnere structuur van het lichaam er mee beoogde te construeren.

    Concreet: als het zijn eigen proteïnen niet kan vormen - structureren in de massa impulsen die het eigen zijn - dan neemt het aanverwante proteïnen uit zijn omgeving op en probeert het daarmee gedaan te krijgen. Hetzelfde met vitaminen, idem met hormonen, enzovoort. Dus de onvrije structuur gaat zich voortaan niet meer vanuit de collectieve voedingsbodem voeden, maar ten koste van de andere onvrije structuren.

    Dit is de fase van eten en gegeten worden in de natuur. Op dit moment in de scheppingsevolutie van de wereld ontstaat de strijd om het bestaan. De verticale stroom van scheppingsimpulsen is in de war en plaatselijk geblokkeerd. De bestaande structuren lokken weinig of geen nieuwe toevoer van originele impulsen uit, en iedereen poogt het allemaal gedaan te krijgen ten koste van iedereen, met de impulsen of hun uitlopers, die er geweest zijn, en nog de ronde doen.

    Uiteraard is de verticale stroom van energie nooit volledig afgesloten, maar dan relatief toch in zulke mate dat 'bijvoeding' van horizontale herkomst nodig wordt. In een zeer materialistische tijd wordt deze bijvoeding de hoofdvoeding, (denk eraan dat sommige heiligen nooit 'eten').
    Globaal gebeurt er in dit stadium van de evolutie een enorme massale uitwisseling van bestaande structuren en fragmenten ervan op alle niveaus en tussen die niveaus, waaruit is af te leiden, dat de oorspronkelijke scheppingsstroom niet meer voldoende is onderhouden. Gebrek en afzien doet zijn intrede. De mens heeft zich uit het paradijs van alle mogelijkheden laten drijven en is er nu op aangewezen te werken met de mogelijkheden die al ontwikkeld zijn. Hij functioneert, werkt, in het zweet, dat uitgescheiden is door zijn oorspronkelijk aanschijn, de projectie van zijn ideaal patroon in het oorspronkelijke veld van alle mogelijkheden.

    Deze horizontale uitwisselingsvorm is niet ideaal. Men kan zich slechts werkelijk vullen met voedsel, als dit voedsel volkomen vervuld is van zuivere originele scheppingsimpulsen. Heeft ook het voedsel gebrek, dan zal men enkel het ene gebrek met het andere opvullen, en niet verzadigd zijn. Bovendien zal men niet alleen de ongeschikte structuur van onvervuld voedsel opnemen, maar ze ook met de eigen verstoorde structuur moeten zien af te breken. Daardoor kan de verstoring mettertijd alleen maar toenemen, tot ze de limiet van het draagbare heeft bereikt, waar het lichaam niet meer aan de behoefte van de zich structurerende geest en ziel beantwoordt. Zo eet men zich letterlijk dood.

    Een lichaam dat enkel horizontaal gevoed wordt heeft bovenmatig veel werk, scheidt veel gifstoffen uit, verslijt vlug en sterft af. Deze mens is de ronddolende 'verloren zoon', die zich onbewust voedt met overschotten, die aan de zwijnen, zij die alles om het even wat eten, zouden worden gelaten. Zijn 'Vader' en schepper staat intussen voortdurend op de uitkijk en nodigt hem aan zijn hemels feestmaal, zodra hij terug 'Thuis' komt. En dan is er een feestmaal met het allerfijnste beste voedsel.

    Enkel een volmaakt verticaal voedingsproces, beginnend vanaf het veld van alle mogelijkheden waar de schepping ontspringt, en dat zo stadium na stadium tot uiteindelijke manifestatie van een perfect fysisch lichaam leidt, kan dit lichaam, en de structuur die aan zijn basis ligt en waaruit het steeds weer heropgebouwd kan worden, zolang in stand houden als het veld van alle mogelijkheden zijn impulsen voortbrengt. En dat geldt voor de duur van het heelal vanaf de oerknal.

    De kanalisering der impulsen moet dus volgens een ideaal structuurpatroon verlopen. Maar ook moeten de impulsen tijdig en in voldoende aantal opkomen. Dit laatste kan gestimuleerd worden door de structuur zelf indien deze voldoende ontwikkeld is.

    (Nota 2 JAN 99: Uit het voorgaande zouden sommigen verkeerdelijk de indruk kunnen krijgen dat 'eten' sowieso verkeerd zou zijn. Dit is uiteraard een relatieve indruk, afhankelijk van de positie waaruit men kijkt. De stelling is dat slechts ideaal in een misschien ideële wereld geen horizontale uitwisseling van materiaal meer plaats heeft, maar dat in de reusachtige evolutionaire tussenstadia op weg daarnaartoe, er wel degelijk horizontale materiaaluitwisseling nodig is.
    De kwestie in deze stadia is dat voedsel met mate en in zo zuiver mogelijke toestand moet genuttigd worden. Zuiver betekent dan dat in het 'materiaal' dat men tot zich neemt, nog zoveel mogelijk oorspronkelijke scheppingsimpulsen moeten aanwezig zijn. Dat wil zeggen: vers voedsel, dat zo weinig mogelijk afvalstoffen bevat en dat nog zo ver mogelijk van het eind van de voedselketen is verwijderd.)

    Copyright © Ben Pirard - 13 februari 1985

    TOP

    WAAR HET 'WEER' VANDAAN KOMT - 26 oktober 1985

    Op dit ogenblik leven we al weken in een hoog luchtdrukgebied. Dat is een gebied in de lucht waar de 'druk' relatief hoog is. De luchtdeeltjes zijn er tijdelijk veel dichter op elkaar gepakt, gemiddeld dan, dan daar rond.
    Na een tijd gaan de deeltjes lucht mekaar dan toch weer meer bewegingsruimte geven, dan komt er wind en lage luchtdruk.
    Het beurtelings ophopen en uitdijnen van luchtdeeltjes is iets heel gewoons, het is een geluidsgolf.
    Het spel van hoge en lage drukgebieden is dus een macroscopisch verschijnsel van het zich voortplanten van golven in de luchtruimte.
    Men zou kunnen zeggen dat het de resultante is van het spel der kleinere golven, die micro-hoge en -lage drukgebiedjes zijn.

    We weten dat in de Natuur alles zich van vol naar leeg toe beweegt, dat het lege altijd opgevuld raakt. Warmte breidt zich uit, vocht verspreidt zich, hoge druk verplaatst zich. Het spel der verplaatsing, concentratie, kruising, van warmte, vocht en druk zorgt voor de plaatselijke verscheidenheid in weersgesteldheden.
    De weersgesteldheid, verspreidingswijze van vocht en warmte, wordt dan grotendeels bepaald door drukverplaatsing, door macroscopische geluidsgolven dus.

    Waar komen die golven dan vandaan?

    Zij hebben grotendeels te maken met wat de zon uitzendt.
    Maar er is nog andere uitzending die het door de zon uitgezonden patroon kan moduleren. Er zijn heel wat geluidsbronnen op aarde gekomen, die weinig intelligente geluidspatronen produceren. Ook wordt er plaatselijk door menselijke concentraties of willekeurige ingrepen in het wereldbeeld (ontginning, kernproeven etc.) heel wat onvoorziene warmte en vocht de lucht ingeblazen.
    Deze drie willekeurige producties vormen samen een rem op het natuurlijk weerpatroon. Zo wordt het natuurlijke patroon plaatselijk versterkt en plaatselijk uitgedoofd, als indirect gevolg van incoherentie in het menselijk brein.

    Maar er is zeker ook een niet onaanzienlijk aandeel rechtstreekse beïnvloeding door het menselijk brein. Wanneer dit volkomen harmonisch is afgestemd op het natuurlijk gebeuren, dan stoort het geen enkel natuurlijk patroon van schepping met zijn eigen golfpatronen.
    Deze golfpatronen zijn door de ouden vaak kortweg 'geluid' genoemd. Wij weten dat geluid een complexe golf is als het over hoorbaar geluid gaat. Maar zij schijnen het woord geluid in het algemeen voor golven, trillingen, vibraties, stralen allerhande te hebben gebruikt. (Vaak zelfs spreken ze niet eens van geluid, maar van 'het woord', de logos, of iets dergelijks.)
    En ook onze moderne wetenschap gebruikt nog die analogie om sterke vibraties aan te duiden. Zo 'horen' we bijvoorbeeld spreken van een 'oerknal', hoewel er toen zeker nog geen lucht was waarlangs geluid zich kon voortplanten, laat staan van oren om het op te vangen.

    Als we het dus in verband met weer over 'geluid' hebben dan moeten we daar ook bij bedenken dat het hier een verzamelterm is voor het samengaan en uit elkaar voortvloeien van allerlei trillingen, golven, vibraties, krachtvelden…, van de eenvoudigste tot de meest complexe.
    En dan wordt het duidelijker zichtbaar, dat het menselijk brein, dat heel wat golven en krachtvelden uitzendt, ook zijn deel bijdraagt tot de vorming van complexe patronen zoals het weer.

    Als al dit zenden volgens toeval, dus onbewust en willekeurig, verloopt, dan kan het resultaat van die uitwerking slechts een vage 'ruis' op het geheel betekenen.
    Naarmate echter de bewustwording hiervan toeneemt, zullen hier en daar merkwaardige wijzigingen kunnen voorkomen in de 'gewone' weerpatronen bijvoorbeeld.
    In hoeverre deze overeenkomen met het ideale natuurlijke patroon hangt dan af van de mate waarin de bewuste geesten op dit alomvattend patroon zijn afgestemd.

    Copyright © Ben Pirard - 26 oktober 1985

    TOP

    TELEPATHIE BIJ OLIFANTEN ONTDEKT

    In een artikel in 'Le Soir' waaruit ik bijgaand knipsel haalde, las ik een verhaal over de recente ontdekking van 'taal bij olifanten'. Ze sturen infrasone golven uit, waarmee ze over kilometers communiceren, en waardoor mannetjes en vrouwtjes mekaar over die afstanden terugvinden.
    Een dokteres had dit ontdekt. Ze stond bij een troep olifanten, die ze bestudeerde, en had 'iets' gevoeld. Er werd onderzocht naar golven, met instrumenten en de infrasone golven werden gemeten en als bron ervan een plaats op het voorhoofd van de olifanten geregistreerd.
    Interessant dat telepathie bij dieren is ontdekt en gemeten in welk golfbereik ze voorkomt, dat ze wordt uitgezonden van bij de hersenen tussen de twee ogen, en dat ze gewoon 'taal' wordt genoemd.
    Het rijk der hemelen is nabij ! olifanten (131K)

    Copyright © Ben Pirard - maart 1986

    TOP

    BEGIN EN EIND VAN EEN OBJECT - 29 MEI 1986

    Ik heb me vaak de vraag gesteld, wanneer een voorwerp, bijvoorbeeld een trein, achter een muur uitkomt, wat er dan te zien is, of beter wat er gebeurt, tussen het moment dat het eerste van de trein nog net niet zichtbaar is en daarna.
    Die overgang tussen het voorwerp niet en wèl zien, verloopt altijd verrassend onmerkbaar. En als men het gebeuren zou filmen en de film vertragen, dan nog zou men een beeld waar er al iets van de trein zichtbaar is een ongerept beeld zien opvolgen en het zou niet duidelijk zijn wat er tussen die twee momenten in zichtbaar was.
    Het is de vraag naar de aard van de dichotomie in de schepping. Wat maakt het onderscheid, de overgang van het voorwerp naar de omgeving, van het individu naar het universum, van het zichtbare naar het onzichtbare en omgekeerd. Het is dus de vraag naar de 'gap', de 'kloof' tussen het absolute en het relatieve en tussen de zogenaamde onder-delen van dat hele relatieve.
    Volgens mijn persoonlijke logica kan het nooit zijn dat een voorwerp er het ene moment niet was en het volgende wel. Er moest een ondeelbaar tussenmoment bestaan, waar het voorwerp er zowel was als niet was of iets dergelijks.

    Dit is dus ook de vraag naar de identiteit van een voorwerp en naar de precieze grenzen. Die grenzen liggen zowel in tijd als in ruimte. En zo gesteld wordt het wel heel moeilijk een voorwerp te be-palen. Want gesteld dat het mogelijk zou zijn op een bepaald (!) moment een voorwerp ruimtelijk precies tot in zijn allerfijnste ondeelbare (?) onderdeeltjes te bepalen, dan nog zou dat het volgende moment al niet meer kloppen, omdat nu eenmaal al die deeltjes voortdurend in beweging zijn en nu eens bij het ene dan bij een ander voorwerp schijnen aan te sluiten.

    Even moeilijk om een voorwerp in wezen te bepalen, zonder dubbelzinnigheden, vaagheden of compromissen, is het om een handeling of een gebeurtenis precies te bepalen, of een taak, of eigenlijk om het even wat. Altijd weer duikt de vraag op naar de precieze afbakening. Waar begint het en waar eindigt het, waarom is het er eerst niet en dan wel, en wanneer gebeurt die overgang precies?
    En als iemand die over dit probleem gemakkelijk denkt heen te gaan de knoop doorhakt en zegt: "hier begint het", dan volgt onmiddellijk de twijfel: "begint het niet eigenlijk hier ook al, of zou men niet net zo goed kunnen zeggen dat het wat verder begint?".

    Eén ding is duidelijk in deze vraagstelling en dat is de richting waarin het antwoord te verwachten is: in de richting van het steeds kleinere, niet het grotere.
    Begrenzingen worden fijner, dus scherper, dus duidelijker, in de richting van het kleinere. En dat geldt voor ruimte zowel als voor tijd.
    Maar omgekeerd tot wat men zou verwachten worden de grenzen juist vager als men naar het kleinere toe gaat onderscheiden. De drukletter op papier wordt stilaan een vage inktvlek, zonder betekenis. Het molekuul wordt een vage wolk van electronen en protonen, die op hun beurt vage clusters van deeltjes worden. En die deeltjes blijken er soms te zijn en soms niet, als men dezelfde tijdseenheid van beschouwing aanhoudt, maar er zijn er altijd wel een zeker aantal waardoor het deeltje van een vorig beschouwingsniveau in die tijdseenheid toch wel bestaat.

    Maar wat als men de beschouwingsperiode in steeds kleinere tijdseenheden gaat onderzoeken?
    Dan zal men moeten vaststellen dat er in de eerste nieuwe tijdseenheid bijvoorbeeld n deeltjes aanwezig zijn op bepaalde plaatsen in de ruimte (van het voorwerp), dat er in beschouwingsmoment t+1 iets meer of minder deeltjes zijn, maar niet allemaal op dezelfde plaatsen, dat er in t+2 weinig of geen deeltjes te zien zijn, maar op weer andere plaatsen, op ogenblik t+3 dubbel zoveel als eerst enzovoort. Met andere woorden: een ruime fluctuatie. Dit is de situatie die men volgens de quantummechanica op de Planck-schaal zou tegenkomen.

    Steeds verder gaand hierin moet men tenslotte op de schaal van a.h.w. absolute fijnheid komen, de limiet van de scheppingskorrel, geheel abstract ten opzichte van onze gewone materiële beschouwing.
    Hier hebben we te doen met virtuele impulsen van het quantumveld.
    Zo'n impuls is een golf: een op en neergaande beweging, schematisch bekeken.
    Kleiner dan dit zou dus absolute rust zijn.
    Maar absolute rust van wat? Of een golfje van wat?
    Het wordt met deze vragen al duidelijk dat de golfbeweging, de grens, het object enerzijds en zijn omgeving anderzijds, hetzelfde zijn. Alleen is het object een toestand van de omgeving.

    Terug naar onze trein die vanachter het station verschijnt nu.
    Er is in eerste instantie een voor het oog onwaarneembare wijziging in de ruimte waar de trein gaat verschijnen. Hij zou kunnen terug achteruit rijden voor hij zichtbaar werd, dan zou die wijziging in de ruimte weer worden tenietgedaan.
    Maar men zou het ook andersom kunnen stellen, doordat de ruimte achter het station zich wijzigt (of wordt gewijzigd) vormt zij op die manier een zichtbaar wordende voorbijtrekkende weer verdwijnende trein…
    Het object heeft dus minder bestaanszekerheid dan de ruimte waarin het een tijd voorkomt. En niet de trein verplaatst zich, maar een min of meer constant complex van fijne golven van de ruimte, die samen ook grotere golven vormen, die samen min of meer constante nevelachtige clusters vormen, die van op afstand bekeken, met vele tegelijk voor het oog een 'trein' betekenen.

    Alles ligt hem dus maar aan het niveau van beschouwen waarop het bewustzijn wil inzoemen. En het is maar op de meer samengestelde niveaus van beschouwing waar 'dingen' worden gezien, die zich lijken voort te planten in de ruimte. Op fijnere meer eenvoudige niveaus worden die 'dingen' steeds minder duidelijk en de beweging steeds illusoirder.
    Maar deze negatieve beschouwing der dingen is slechts te wijten aan een vastzitten aan de denkwetten van het samengesteld niveau, en daarmee het eenvoudige willen bevatten. Het eenvoudige bestaan heeft zijn eigen recht, dat geen verklaring of steun van het andere behoeft, of daardoor alleen maar vervormd zou worden waargenomen als noch het ene noch het andere.

    Het vergt een zekere gewenningstijd om op het fijnere niveau onbevooroordeeld onvooringenomen wààr te nemen. Eigenlijk is het een óntwenningstijd.
    In die tijd waar de oude omslachtige misleidende provisoire manier van 'zien' wordt afgeworpen, terwijl de onvooringenomen manier nog niet sterk genoeg ontwikkeld is, kan men zich inderdaad nogal vreemd, onhandig gaan weten worden, en verward.
    Toch zal men merken dat de dingen, de gebeurtenissen er niet wezenlijk anders door worden, dat de omstandigheden van het uiterlijk leven toch hun eigen continuïteit hebben.
    Dat alleen al is een aanwijzing voor het illusoire ook van de vermeende invloed die men op dat niveau voordien dacht te hebben. Maar tegelijk is het een aanwijzing dat al deze vormen en bewegingen in dezelfde bestaansgrond voorkomen waar men zelf altijd en overal is, en die men zelf steeds eenduidiger wordt door zich erin te verfijnen.

    Men kan dus gerust de onrust laten varen en loslaten wat men als enige mogelijke houding en zienswijze in het leven beschouwde. Het is goed de eigen onrust niet op de omgeving, de anderen, te projecteren, en ze via hen nog te versterken, waardoor men langer van het zien met vernieuwde ogen af blijft, terwijl de oudere al lang wazig blijken te kijken. Ook andere zwakke of nadelige gevoelens en instellingen moet men liever niet via de anderen voeden, dan wordt het leven een brandende kwelling. Wel moet men stil mededogen koesteren voor de anderen, die door de bril kijken die men zelf te misleidend is gaan vinden. Laat hen ervan genieten en gebruik maken zolang ze dat nog kunnen en nodig hebben, en voor zichzelf het moment kiezen, waar ze van bril willen verwisselen. Het zenuwstelsel heeft tenslotte ook zijn tijd nodig om zich te verfijnen en de bril is het gevolg van de aard van de ogen, niet andersom.

    Wat het alledaagse leven 'aan de oppervlakte' betreft is het dus nodig bewust de compromissen te sluiten, die men voorheen onbewust sloot. Het voorwerp wordt beschouwd als eindigend in ruimte en tijd en men localiseert het daar waar er het meest van tegenwoordig is. Een taak beschouwt men als voltooid, wanneer het meeste wat die taak behelst voorbij is. Een persoon wordt geïdentificeerd met zijn lichaam…
    Intussen groeit het stille weten.

    Copyright © Ben Pirard - 29 MEI 1986

    TOP

    MAGNEETKRACHT - 21 maart 1987

    Alle krachten in de natuur zijn te herleiden tot één enkele oer-'kracht'. Zo is ook de magnetische aantrekking, resp. afstoting een bepaalde manier waarin deze oerkracht zich voordoet.
    De oer-'kracht' zelf bestaat enkel en eenvoudig hierin dat één enkele puntplaats alomtegenwoordig is.
    Men kan de gemanifesteerde schepping zien als een deel van dit 'alom', waarin de eenvoudige puntplaats zich in een ingewikkeld patroon van opeenvolgende stadia beweegt.

    Die beweging is dan in de richting van beurtelings zichzelf en zich-niet-zelf. Globaal dus een cyclus die een 'inwaartse' en een 'uitwaartse' helft heeft. Die bipolariteit komt dan ook in alle sub-cycli en macro-cycli voor, waarin het patroon van de hele schepping zich voordoet.
    Het kan alleen maar bewegen door, waar, en in zoverre als het niet volledig (zichzelf) is. ('Het volle loopt over naar het lege, tot ook het lege volledig vervuld is', zegt Maharishi.)
    Wanneer er nu beweging is in de natuur dan merken we op alle niveaus en schalen dat beweging de neiging heeft: 1. Zichzelf in stand te houden, 2. Alles in zijn directe omgeving, en in minder mate alles in zijn wijdere omgeving, hetzij met zich mee te sleuren, hetzij weg te 'duwen'.

    Die laatste eigenschappen worden duidelijk in de magneetkracht getoond. Een andere eigenschap van beweging is dat, indién iets of iemand er toch in slaagt erin tussen te komen, zij plots eindigt, en daarmee het hele schijnpatroon waarin ze zich voordoet. (dit laatste is cursief…)

    Dat komt omdat alle beweging wezenlijk, en in haar samenstelling, cyclisch is. En naarmate de 'stop' in een meer fundamentele cyclus ingrijpt, des te meer zal het oppervlaktepatroon, - de vorm en al zijn manifeste eigenschappen -, desintegreren.

    Een mechanische autobotsing laat een wrak over, maar het heeft nog alle substantiële eigenschappen van de auto, die die vorm was. In een chemisch bad wordt het al wat anders, en in een kernexplosie blijft er nog maar weinig van de oorspronkelijke gesuperponeerde patronen over.

    Zo'n 'stop' - ingreep kan ook minder dramatisch gebeuren. Via het bewustzijn zelf dat de onderliggende oer -'kracht' is.
    Als dat erin slaagt de magnetische cyclus op dat niveau te doorbreken, dan wordt bijvoorbeeld de aantrekkingskracht tot de aarde sterk gewijzigd, en kunnen ook alle andere patronen die van het niveau van de 'ingreep' vertrekken worden gewijzigd. Wanneer het niveau van de aanzet zeer fundamenteel is, kan in alle patronen in ruimte en tijd worden ingegrepen.
    De technieken daarvoor zijn bekend bij de yogische tradities en staan in hun geschriften weergegeven, zoals de sutras van Patanjali.
    Geregeld 'botsen' mensen 'toevallig' op zo'n faculteit. We zien de resultaten daarvan in levens van religieuze en wereldse heiligen, soms ook in de kleine levens van de dagjesmens één- of meermalig. Maar de oude Vedische traditie geeft er een systematische aanpak voor, waarmee men zichzelf steeds 'hoger' en 'verder' ontwikkelt.

    Copyright © Ben Pirard - 21 maart 1987

    TOP

    KEIEN EEN VORM VAN LEVEN ? - 6 augustus 1987

    De gangbare opvatting over keien is dat het stukjes rotssteen zijn die door de polierende werking van het water rond worden.
    Dat zou betekenen dat keien en keitjes steeds kleiner worden naarmate ze langer in een stroom liggen. En voor veel keien is dat ook het geval.
    Als men echter sommige keien door midden doet, dan kan men zich verbazen over de regelmatige opbouw ervan. Zo'n onooglijk steentje blijkt dan uit een mooie opeenvolging van verschillend gekleurde lagen te bestaan, aan de buitenkant vaak een heel dunne.
    Dergelijke opbouw doet onvermijdelijk denken aan de opbouw van een levende cel.
    In ieder geval moeten de opeenvolgende lagen er één na één rond gekomen zijn om zo'n regelmatig verloop te kunnen vertonen.
    Een andere mogelijkheid is dat keien ontstaan als een zichzelf uitsorterend mengsel van verschillende scheikundige stoffen binnen een min of meer grote 'druppel' in de ondergrond, waaruit stilaan het water onttrokken is geraakt.
    In beide gevallen is er dan sprake van een zekere groei.
    En ofschoon er zeker heel wat afgeronde steentjes uit de branding van stromend water voortkomen, toch zijn niet alle vormen van keien alleen maar daardoor te verklaren.
    Een variante op de tweede ontstaansmogelijkheid is fossiliseren van bepaalde spons- of kwalachtige wezens.
    Een fascinerende hypothese zou zijn dat het om een zeer langzame vorm van leven zou gaan. Het zou interessant zijn het stofwisselingsproces binnen een kei na te gaan, en ook de invloed ervan en de wisselwerking met verschillende soorten omgeving.
    Zou het bijvoorbeeld kunnen dat keien erover stromend water zuiveren door er de voor hun eigen opbouw noodzakelijke bouwstoffen uit te onttrekken?
    Wat is er veel mogelijk. En wat weten we weinig.

    Copyright © Ben Pirard - 6 augustus 1987

    TOP

    INTELLIGENTIE in het DNA - 12 september 1989

    We denken vaak dat intelligentie, zoals zovele andere zaken, het alleenrecht van de mens is. Maar in de kleine wereld is intelligentie duidelijk al veel langer aan het werk. Een afspiegeling daarvan zien we in de samenstelling en werking van het DNA. Het is een code van erfelijkheidskennis, maar niet alleen dat, zo blijkt nu: het grootste deel van de DNA moleculen blijft ongebruikt voor transscriptie in RNA en aanmaak van speciale eiwitten. Men weet niet goed waar het dan wél toe dient, zo lees ik in 'Natuur en Techniek' van vorige maand. Het bestaat uit hoog repetitieve en middelrepetitieve eiwitopeenvolgingen. De hoogrepetitieve zouden alleen bij de aanmaak van nieuwe geslachtscellen tussenkomen.

    Dit wekt het vermoeden dat de DNA intelligentie ook hiërarchisch gestructureerd is, vind ik. Een deel van de niet tot eiwittenaanmaak dienende keten zou dan een soort monitorfunctie kunnen hebben bij het verloop van het hele proces der duplicatie en differentiatie.
    Ook zou het kunnen dat een ander deel slechts als basisstramien dient voor 'mutaties' die o.i.v. de wisselende tijdsomstandigheden worden uitgelokt of geprivilegieerd (in overlevingskansen en/of voortzetting van de 'soort' bij voor ons nog ongekende leefcondities).

    Dit zou er voor wat de mens betreft bijvoorbeeld kunnen toe leiden dat hij in bepaalde era's van de (grote) geschiedenis slechts bepaalde prestaties kan leveren, zoals bijvoorbeeld bepaalde maximale levensduur, bepaalde manier van voortbewegen enz.

    Hoe dan ook, intelligentie is er alleszins genoeg in ons. Het volstaat dat we er leren meer en meer te zien en er gebruik van te maken. In het microkosmische zijn we al perfect uitgerust.

    Copyright © Ben Pirard - 12 september 1989

    TOP

    Copyright © Ben Pirard

    thuispagina Laatste wijziging: door B.Pirard (©) 15 november 2004 09:25, email contact - Copiëren toegelaten mits bronvermelding -